Van de Perrehuis Middelburg

Het Van de Perrehuis (1765) is een 18e‑eeuws stadspaleis in Middelburg. Het werd ontworpen in Lodewijk V stijl, door architect Jan Pieter van Baurscheidt de Jonge en voltooid door zijn neef Engelbert Baets. Opdrachtgever waren de Zeeuwse regent Johan Adriaan van de Perre en zijn echtgenote Jacoba van den Brande. Vanaf 1838 diende het gebouw als gerechtshof, rechtbank. Sinds 2000 is het Rijksmonument onderdeel van het Zeeuws Archief.

Vanaf de late middeleeuwen stond op de locatie van het huidige Van de Perrehuis de Commanderij der Duitse Orde. Dit was een kloostercomplex van een ridderorde die zich richtte op de verspreiding van het rooms‑katholieke geloof in Oost‑Europa. De commanderij omvatte een kapel, woonvertrekken en kelders. Na de Reformatie verloor de orde haar functie en kwam het complex in particuliere handen. In 1621 werd het huis De Commanderij eigendom van Johan Reigersberg, die de westelijke eindgevel liet aanbrengen. Deze gevel vormt nog steeds een herkenbaar onderdeel van het huidige complex.

Van de Perrehuis, opdrachtgevers en architecten

De bouw van het stadspaleis begon in 1763, toen Jacoba van den Brande het Middeleeuwse kasteel Westhove in Oostkapelle en het statige huis ‘De Commanderij’ in Middelburg erfde van haar oom Jacob Reigersberg. De Zeeuwse regent Johan Adriaan van de Perre (1738-1790) was sinds 1760 gehuwd met Jacoba van den Brande (1735-1794). Zij gaven in 1763 opdracht tot de bouw van een nieuw representatief woonhuis aan de Antwerpse architect Jan Pieter van Baurscheit de Jonge. Van Bauscheit was rond 1760 een gevestigde architect in Zeeland.  Zo ontwierp hij onder meer het Beeldenhuis (1730) in Vlissingen en samen met architect Jan de Munck De Koepoort (1744) in Middelburg. Door ziekte van Van Bauscheit rondde zijn neef Engelbert Baets het ontwerp af.

Architectuur Lodewijk V stijl

Het Van der Perrehuis werd gebouwd op de middeleeuwse kelders en kreeg een opvallende gebogen voorgevel in Lodewijk XV‑stijl, met sierlijke balkonhekken en een rijk uitgewerkt stucdecor. Aan de achterzijde werd het complex uitgebreid met twee nieuwe kamers tot aan de 17e‑eeuwse eindgevel. De centrale hal, voorzien van ionische pilasters en verfijnd stucwerk, vormt een van de meest karakteristieke interieurelementen van het gebouw. Het echtpaar gebruikte het stadspaleis voornamelijk als winterverblijf; ’s zomers verbleven zij op kasteel Westhove en op hun twee andere buitenplaatsen op Walcheren.

Van de Perrehuis in de 19e eeuw: van woonhuis naar gerechtshof

Na het overlijden van Jacoba van den Brande kwam het huis in handen van haar nicht Johanna Maria van den Brande, gehuwd met Jacob Hendrik Schorer, later gouverneur van Zeeland. In deze periode raakte de naam Van de Perrehuis ingeburgerd. De erfgenamen verkochten het pand in 1838, waarmee een einde kwam aan ruim 250 jaar particuliere bewoning.

Het gebouw kreeg een nieuwe functie als provinciaal gerechtshof en later als arrondissementsrechtbank. In 1840 werd een neoclassicistische uitbreiding toegevoegd, die in 1954 weer werd verwijderd tijdens een restauratie door architect H. de Lussanet de la Sablonière, die een nieuwe vleugel in aangepaste stijl bouwde.

Restauratie en nieuwbouw tot Zeeuws Archief

Na het vertrek van de rechtbank in de jaren 1990 werd het Van de Perrehuis bestemd voor het Zeeuws Archief. Omdat het historische gebouw onvoldoende ruimte bood, werd gekozen voor een  combinatie van restauratie en nieuwbouw die in de periode 1997-1999 werd uitgevoerd. Architectenbureau Verlaan & Bouwstra verzorgde de restauratie van het 18e‑eeuwse deel, terwijl Benthem‑Crouwel een moderne vleugel ontwierp met bezoekersruimten en drie ondergrondse depots. Sinds 2000 vormt het Van de Perrehuis het representatieve hart van het Zeeuws Archief. Het historische stadspaleis wordt gebruikt voor ontvangsten, tentoonstellingen en publieksactiviteiten, terwijl de nieuwbouw het archiefmateriaal huisvest.

Projectdata