Periode: ca. 1565-1630
Ontstaan: rond 1520 als reactie op de perfecte harmonie van de renaissance. Architecten zochten bewust naar spanning, verrassing en artistieke vrijheid
Kenmerken: Bewuste asymmetrie, onverwachte details, drukke versieringen en vervormde klassieke elementen. Het meest karakteristiek is de afwisseling van baksteen met natuursteenlagen. Trapgevels met zandstenen decoraties.
Materiaal en bouwwijze: Natuursteen en stucwerk. Veel decoraties zoals het band en rolwerk in zandsteen.
De heropleving van de Zeeuwse bouwkunst na de Opstand tegen Spanje leidde tot een uitgesproken maniëristische stijl. Deze bouwstijl combineerde Italiaanse renaissancevormen met lokale bouwtradities en werd bepalend voor zowel openbare gebouwen als woonhuizen.
Rond 1590 kwam de bouwproductie weer op gang. Het maniërisme kenmerkte zich door baksteen‑natuursteencombinaties, band‑ en rolwerk, en decoratieve elementen zoals diamantkoppen en wortelmotieven. Vroege voorbeelden waren het Middelburgse huis In de Steenrotse (1590), welke is verwoest in de brand van mei 1940 en het stadhuis van Vlissingen (1594), een verkleinde kopie van het stadhuis van Antwerpen, dat in 1809 door een Brits bombardement werd verwoest.
Het maniërisme kreeg een monumentale uitwerking in representatieve gebouwen in Zeeland. De Kloveniersdoelen (1611) in Middelburg van de Vlaamse architect Adriaan Muyr toont een brede voorgevel met hoog middenrisaliet en rijk band‑ en rolwerk. Het stadhuis van Brouwershaven (1599) was oorspronkelijk volledig in natuursteen uitgevoerd en rijk gedecoreerd. Ook het Burgerweeshuis van Aardenburg (1631) en het raadhuis van Dreischor (1637) behoren tot de belangrijkste maniëristische voorbeelden in Zeeland.
Woonhuizen uit deze periode kregen vaak trapgevels met accoladebogen, zoals in Middelburg en Aardenburg. Ook in Goes, Veere en Zierikzee zijn dergelijke gevels te vinden. Na circa 1635 spreekt men van laat‑maniërisme, zichtbaar in panden in Hulst, Zonnemaire en het huis De Gouden Eikel in Aardenburg (1646).