Periode: 1830-1910
Ontstaan: door herwaardering van de middeleeuwen en de katholieke emancipatie. Twee verschillende ontwikkelingen; vroege stucadoorsgotiek uit Engeland overgekomen decoratieve, geromantiseerde neogotiek en de latere rationele neogotiek die constructie principes van de Franse gotiek op eigentijdse wijze toepast. In Nederland bijna alleen toegepast in Rooms-katholieke kerken.
Kenmerken: Spitsbogen, hoge torens, luchtbogen en kleurrijke glas-in-loodramen. De stijl is verticaal gericht, zeer gedetailleerd en straalt een religieuze mystiek uit.
Materiaal en bouwwijze: Eerlijk gebruik van baksteen en natuursteen zonder pleisterlaag. Constructies zijn gebaseerd op het middeleeuwse skeletsysteem met ribgewelven en zichtbare constructiedelen
Zeeland: bouwstijl die met name in het Rooms-katholieke Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Beveland gedomineerd wordt door imposante bakstenen kerken.